In de eerste graad komen de leerlingen in contact met vele vakken. Gedurende deze twee jaren kunnen de leerlingen uitkijken naar een studierichting die hen interesseert. Interesse is zeer belangrijk maar ook de capaciteiten en de persoonlijke aanleg van de leerlingen moeten deze keuze bepalen. In de eerste graad heeft men al een beperkte keuzemogelijkheid tussen 4 uur Latijn (1ste jaar) en 5 uur Latijn (2de jaar) of 4 uur extra tijd om de hoofdvakken uit te diepen (1ste jaar) en 5 uur uitbreidingsleerstof (2de jaar). In beide richtingen komt een pakket ‘leren leren’ en sociale vaardigheden aan bod.
Latijnse:
In het keuzepakket Latijn krijgen de leerlingen bovenop de algemene vorming van het eerste jaar vier uur en van het tweede jaar vijf uur Latijn.
In de Latijnse bestudeert men de oude Romeinse beschaving die een basispijler is van de westerse cultuur. Latijn is de voorganger van vele huidige talen en blijft tot vandaag zijn stempel drukken op de wetenschappelijke terminologie en op de naamgeving van sommige nieuwe begrippen.
Studie van de Latijnse taal en de Romeinse cultuur veronderstelt een sterke interesse in literatuur, taal en oude culturen.
De studie van de klassieke taal Latijn bevordert de studiehouding. Zij biedt een grote analytische en synthetische vorming. Zo ontstaat er een gewoonte om dit analyseren en synthetiseren op andere domeinen toe te passen. Van de leerling in de Latijnse wordt vanaf het eerste jaar een grote studiediscipline verwacht om dagelijks Latijnse woordenschat te verwerken.
Moderne:
De moderne humaniora bestudeert veeleer de hedendaagse werkelijkheid vanuit maatschappelijke context. Vaak op experimentele wijze leert men inzicht verwerven in maatschappelijke en technologische fenomenen.
De moderne humaniora voorziet in het eerste jaar meer tijd dan in de Latijnse humaniora voor het uitdiepen van de leerplannen voor de hoofdvakken Frans (+1 uur), Nederlands (+2 uur) en Wiskunde (+1 uur).
In het tweede jaar staat dit pakket in functie van de verdere oriëntering in de tweede graad: wetenschappelijk werk (2 uur als voorbereiding op de natuurwetenschappelijke vakken), socio-economische initiatie (2 uur als voorbereiding op economie) en 1 extra-uur Engels.
Van de leerlingen in de moderne wordt verwacht een ruime interesse te hebben in heel het maatschappelijke gebeuren: economisch, politiek en wetenschappelijk. Zij moeten openstaan voor een ruime algemene vorming en daarvoor de nodige inspanningen kunnen opbrengen. Vakken zoals wiskunde en wetenschappelijk werk voorzien een stevige vorming in het analytisch denken.